Eerste keer Azië
Ik stap uit het vliegtuig en de hitte valt gelijk als een klamme deken over me heen. Ik loop gekleed door een sauna en weet meteen dat ik de verkeerde kleren aan heb. Te veel en te dik.
Een weg zoekend door mijn eigen zweet passeer ik de douane en als ik in de aankomsthal sta besef ik opeens weer dat we met zijn drieën zijn. Peter, Esther en ik.
Het is de eerste keer dat ik in Azië ben en dat we India hebben gekozen is verre van laf te noemen. Even later staan we in een bus die ons naar Hotel Marina zal brengen. ( vijftien rupees. )
Meteen zie, hoor en ruik ik dat ik werkelijk in een totaal andere wereld terecht ben gekomen. Brede lanen met geel geblokte stoepranden, palmbomen, droge grond. De mensen die ik zie, zag ik eerder alleen op televisie. Ik ruik de hitte. Voel de klamheid.
Zweet breidt zich uit naar plekken waarvan ik niet eens wist dat je er kon zweten. Wanhopig probeer ik wat wind te vangen maar als ik hem vang, is die ook heet. De bus doet nog een paar andere vliegvelden aan maar uiteindelijk komen we dan toch bij Hotel Marina, Connought Circle.
We worden nederig ontvangen door de portier die ons een lift in buigt.
Twee hekken gaan open en dicht, de portier drukt op een knopje en daar gaan we.
Even later staan we voor de balie van een hotel dat veel betere dagen heeft gekend. De Indiase baliemedewerker legt ons uit dat we nog even een papiertje moeten halen bij het reisbureau dat het hotel voor ons heeft gereserveerd. We blijven geduldig. Peter en ik gaan de hitte in.
Natuurlijk zijn we gewaarschuwd voor het fenomeen bedelaar maar toch is het even wennen wanneer er even later zon stuk of twintig met ons meelopen sommigen sleep ik mee aan een arm, anderen aan een been.
De rest loopt gewoon mee.
We krijgen niet eens de kans om geld uit te delen want ik kan niet bewegen door de bedelaars die me niet los laten. Tussen mijn benen duiken er mensen op die me van alles willen verkopen.
Op mijn nek zit iemand die geld wil wisselen.
Peter en ik komen uitgeput bij het reisbureau aan dat onze hotelvouchers heeft. Hotelvoucher, dat is echt zon reiswoord. Het hele jaar gebruik je hem niet en daar is ie weer. Hotelvoucher. Het enige woord dat een winterslaap doet. Het reisbureau is gesloten tot twee uur.
Het is bijna twee uur maar om Esther niet ongerust te maken ga ik terug naar het hotel en blijft Peter wachten voor het hotelvoucher.
Ik neem weer een duik in de bedelaars en kom boven in de lobby van het hotel. Nergens zie ik Esther, vreemd. Niemand weet waar ze is.
Dat kan niet, Esther is opvallend lang en heeft stroblond haar, en een bijna doorschijnend wite huid, iets wat je nou niet echt veel ziet in deze omgeving.
Niet in de koffiebar, niet in de bar. Een lichte onbestemdheid maakt zich van mij meester.
De man aan de balie zegt dat hij Esther helemaal niet gezien heeft.
Dat kan niet, hij moet haar gezien hebben. Lichte paniek.
Ik leg nog eens uit hoe Esther er uit ziet.
She was with us, with my friend and me, a tall blond woman.
White skin.
She sat there, you must have seen her!
Where is she?
Met een soort van draaiende beweging van zijn hoofd dat tussen ja en nee in zit, murmelt de man sorry en ik vrees dat we Esther nu al definitief kwijt zijn. De lichte paniek slaat om in ongeloof en dat slaat weer om in gewoon echt paniek. Hoe is dit mogelijk, we zijn nog geen twee uur in dit land en we zijn al iemand verloren. We kunnen terug, hopen dat we Esther vinden en haar lichaam meenemen om thuis te kunnen begraven.
Mijn hart bonst overal in mijn lichaam. De man achter de balie kijkt me aan.
Your friend is in the room, sir
What?
Your friend is in the room, sir
What is the number of the room?
Room 218 sir
Ik ren door de gang naar kamer 218, klop op deur en even later doet het slapende hoofd van Esther open.
Waar was je? Vraag ik.
Hier. Waar is Peter?
|